Geen schending (in de interpretatie dat de in het geding zijnde bepaling niet van toepassing is op de rechtsvordering tot betaling van de vergoeding bedoeld in art. 3, § 2, vierde lid, van de afdeling 2 («Regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder»), van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek)
Trefwoorden
Burgerlijk recht - Handelshuur - Vergoeding wegens uitzetting - Rechtsvordering tot betaling - Gebrek aan een soortgelijke bepaling voor de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats