- Schending (artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de onteigeningsvergoeding na de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening door de rechter wordt vastgesteld op een lager bedrag dan het bedrag van de voorlopige vergoeding dat de onteigende voor de vrederechter heeft verkregen, de onteigende dient te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij)
- Geen schending (artikel 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 en de artikelen 1017, eerste lid, en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat, wanneer de onteigeningsvergoeding na de door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening door de rechter wordt vastgesteld op een lager bedrag dan het bedrag van de voorlopige vergoeding dat de onteigende voor de vrederechter heeft verkregen, de onteigende dient te worden beschouwd als de in het gelijk gestelde partij)
Trefwoorden
Administratief recht - Onteigening voor het algemeen nut - Door de onteigenende overheid ingestelde procedure tot herziening - Bepaling van de onteigeningsvergoeding - Uitsluiting - Rechtsplegingsvergoeding