Arrest nr. 45/2026 (Persbericht)
De regeling waarbij exploitanten van bepaalde kansspelinrichtingen moeten nagaan of er voor een persoon een gokverbod geldt (EPIS-controle), is grondwettig maar het is discriminerend dat een dergelijke voorafgaande controle niet geldt voor de kansspelen in drankgelegenheden en voor de onlineloterijspelen van de Nationale Loterij
De wet van 7 mei 2024 wijzigt de kansspelwetgeving (inclusief de weddenschappen). Die wet strekt met name ertoe het EPIS-systeem (Excluded Persons Information System) te wijzigen, namelijk het systeem van informatieverwerking dat de betrokken exploitanten moeten raadplegen om na te gaan of er voor de personen die willen spelen, een gokverbod geldt. Die wet beoogt ook rekening te houden met de nieuwe, door een vorige wet ingevoerde, maatregelen inzake spelersbescherming. Verschillende vennootschappen die actief zijn in de kansspelsector, vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2024.
Het Hof verwerpt de verschillende kritieken over de bestaanbaarheid van de EPIS-controle met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Vervolgens oordeelt het Hof dat het, gezien het doel om kwetsbare spelers te beschermen, niet redelijk verantwoord is dat de EPIS-controle niet van toepassing is op de drankgelegenheden (inrichtingen klasse III). Het Hof vernietigt bijgevolg de betrokken bepalingen in zoverre zij niet van toepassing zijn op die inrichtingen, maar het handhaaft de gevolgen ervan tot uiterlijk 31 december 2027. Tot slot is het Hof van oordeel dat het discriminerend is dat de onlineloterijspelen niet aan een dergelijke verplichting tot voorafgaande controle zijn onderworpen en dat zij evenmin zijn onderworpen aan de leeftijdsvoorwaarde van 21 jaar : het Hof verplicht de wetgever ertoe die discriminatie uiterlijk op 31 december 2026 te verhelpen.
Arrest nr. 38/2026 (Persbericht)
Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen waarover een Belg moet beschikken opdat zijn partner in het kader van een gezinshereniging een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, moet rekening worden gehouden met de bestaansmiddelen van de beide personen, met inbegrip dus van die van zijn partner
Opdat tot gezinshereniging kan worden overgegaan is vereist dat de Belg die deze gezinshereniging mogelijk maakt – de zogenaamde referentiepersoon – over voldoende bestaansmiddelen beschikt. Twee aanvragen tot gezinshereniging werden geweigerd op grond van twee wetsbepalingen die zo werden geïnterpreteerd dat bij de beoordeling van de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger moet beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, uitsluitend rekening mag worden gehouden met diens bestaansmiddelen, en niet met die van zijn partner.
Daarover ondervraagd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bij wie beroep is ingesteld tegen de weigering van de aanvragen, oordeelt het Hof dat de beide wetsbepalingen, in die interpretatie, het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven schenden.
Volgens het Hof kunnen die wetsbepalingen evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat bij de beoordeling van het bestaansmiddelenvereiste niet alleen rekening mag worden gehouden met de bestaansmiddelen van de gezinshereniger, maar ook met die van zijn partner. In die interpretatie zijn de wetsbepalingen grondwettig.
Arrest nr. 36/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt de meeste kritieken van Netflix in het kader van haar beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap dat de regeling van de verplichte bijdrage aan de audiovisuele productie hervormt, maar stelt over een aantal aspecten van die regeling prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
In de Franse Gemeenschap zijn de uitgevers van traditionele televisiediensten en televisiediensten op aanvraag een bijdrage aan de audiovisuele productie verschuldigd. Het bedrag van die bijdrage is gelijk aan een bepaald percentage van hun omzet. De uitgever moet dat bedrag ofwel besteden aan bepaalde investeringen in de audiovisuele sector, ofwel storten aan het Centrum voor de Film en de Audiovisuele Sector van de Franse Gemeenschap. Een decreet van 7 december 2023 wijzigt die regeling, onder meer door het tarief van de bijdrage substantieel te verhogen voor de uitgevers van wie de omzet het hoogst is. Netflix vordert de vernietiging van verschillende bepalingen van dat decreet. Disney komt tussen in de procedure om dat beroep te ondersteunen. Verschillende organisaties van producenten, regisseurs en auteurs komen tussen in de procedure ter ondersteuning van het decreet.
Het Hof oordeelt dat het stelsel van progressieve tarieven op grond van de omzet van de uitgever redelijk verantwoord is en dat het hoogste tarief van 9,5 % evenredig is. Het Hof is niettemin van oordeel dat een aantal aspecten van de bijdrage vragen doen rijzen ten aanzien van het Europese recht, namelijk : (1) de onmogelijkheid om de verwerving van uitzendrechten van een reeds geproduceerd audiovisueel werk te laten gelden als investering, (2) het feit dat de verdeelsleutel tussen Franstalige Belgische audiovisuele werken (35 %) en Europese werken (65 %) enkel van toepassing is wanneer de bijdrage de vorm aanneemt van investeringen en niet wanneer zij de vorm aanneemt van een storting, en (3) de onmogelijkheid, voor een uitgever die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd maar die zich richt tot het publiek van de Franse Gemeenschap, om bijdragen opgelegd door andere lidstaten in rekening te brengen. Het Hof beslist bijgevolg om daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arrest nr. 30/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van de wet die de gegevensbank « Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces » opricht, op enkele beperkte vernietigingen met betrekking tot de rechten van het kind en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel van de betrokken personen na
De wet van 29 maart 2024, die de gemeenschappelijke gegevensbank « Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces » (T.E.R.) opricht, vormde het voorwerp van een beroep tot vernietiging bij het Hof. Die gegevensbank beoogt de gemeenschappelijke verwerking, door verschillende openbare diensten, van de persoonsgegevens en informatie over de opdrachten in het kader van het voorkomen en de opvolging van terrorisme en extremisme dat kan leiden tot terrorisme.
Het Hof oordeelt dat die wet het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens niet schendt, met name wat betreft het begrip « haatpropagandisten », de toegangsrechten van bepaalde diensten tot de gegevens en de bewaringsduur ervan. Het Hof vernietigt de wet in beperkte mate om vier andere redenen. Zo moet de persoon die een beroep instelt bij de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot de verwerking van zijn gegevens, van die autoriteit meer informatie kunnen krijgen dan die waarin de wet voorziet. Daarnaast moet die persoon tegen de beslissing van de toezichthoudende autoriteit een beroep kunnen instellen bij een rechtscollege. Voor de verwerking van de gegevens van minderjarigen moet er een tussenkomst zijn van een persoon die in hun situatie is gespecialiseerd. Tot slot moet een onafhankelijke magistraat tussenkomen bij de opname van de gegevens van minderjarigen die 12 of 13 jaar oud zijn. Het Hof verwerpt het beroep voor het overige, onder voorbehoud van bepaalde interpretaties.