Arrest nr. 2/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van de wet die een « beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » instelt
Bij een wet van 29 februari 2024 wordt een « beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » ingesteld. Die maatregel is van toepassing op personen die worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een zekere ernst en die lijden aan een ernstige psychiatrische aandoening die de eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet uitsluit en waarvoor geen effectieve behandeling bestaat. De maatregel wordt gelijktijdig met de veroordeling uitgesproken, maar het is pas na afloop van de straf dat een gespecialiseerde rechterlijke instantie beslist of de maatregel effectief moet worden uitgevoerd, rekening houdend met het risico dat de veroordeelde op dat ogenblik nog zou vormen voor de maatschappij.
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van die maatregel. Volgens het Hof is de beveiligingsmaatregel geen straf die onderworpen zou zijn aan het beginsel van wettigheid van de straffen. Bovendien zijn de begrippen die in de bestreden wet worden gehanteerd voldoende duidelijk en nauwkeurig, zodat de rechtszekerheid niet wordt geschonden. Het Hof oordeelt eveneens dat de beveiligingsmaatregel een vrijheidsberoving is die gerechtvaardigd is op grond van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het feit dat het vonnisgerecht een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek moet bevelen om te beoordelen of het opportuun is om al dan niet een beveiligingsmaatregel uit te spreken, schendt, tot slot, het vermoeden van onschuld niet.
Arrest nr. 174/2025 (Persbericht)
Drie maanden na de schorsing ervan, vernietigt het Hof de Brusselse ordonnantie die de toepassing van de lage-emissiezone (LEZ) uitstelt van 1 januari 2025 tot 1 januari 2027, onder meer voor Euro 5-dieselvoertuigen en Euro 2-benzinevoertuigen
Bijna het gehele grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is een lage-emissiezone (LEZ), dat wil zeggen een zone waarin de toegang van bepaalde motorvoertuigen is beperkt of verboden om de luchtverontreiniging te bestrijden en de luchtkwaliteit te verbeteren. De LEZ treedt in verschillende fases in werking, waarvan er op 1 januari 2025 een nieuwe is aangevangen. Op 21 maart 2025 heeft de Brusselse wetgever een ordonnantie aangenomen om de toepassing van die fase uit te stellen. Die ordonnantie heeft tot gevolg dat bepaalde voertuigen, die sinds 1 januari 2025 niet langer in de LEZ mochten rondrijden, opnieuw tot die zone worden toegelaten tot en met 31 december 2026. Het gaat onder meer om Euro 5-dieselvoertuigen en Euro 2-benzinevoertuigen. Verschillende verenigingen en particulieren hebben een beroep ingesteld tegen de ordonnantie van 21 maart 2025.
Bij zijn arrest nr. 115/2025 van 11 september 2025 heeft het Hof de bestreden ordonnantie geschorst. Bij het arrest van 11 december 2025 spreekt het Hof zich uit over het beroep tot vernietiging. Het Hof oordeelt dat het middel waarin de schending van artikel 23 van de Grondwet wordt aangevoerd, gegrond is : de bestreden ordonnantie brengt een aanzienlijke achteruitgang met zich mee van het beschermingsniveau van het recht op gezondheid en van het recht op een gezond leefmilieu en die achteruitgang is niet redelijk verantwoord. Het Hof vernietigt bijgevolg de ordonnantie van 21 maart 2025.
Arrest nr. 168/2025 (Persbericht)
De Vlaamse bepalingen die voorzien in een absolute uitzonderingsgrond op de openbaarheid van bestuur voor informatie inzake de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten zijn ongrondwettig
Artikel 50, § 4, van het Vlaams decreet van 15 juni 2012 bevat een geheimhoudingsverplichting voor informatie inzake de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten. Wanneer een aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op dergelijke informatie, moet de overheid die aanvraag afwijzen indien zij van oordeel is dat de openbaarmaking van de gevraagde informatie aan de betrokken personen schade kan berokkenen. Volgens artikel II.34, 1°, van het Vlaams Bestuursdecreet is die geheimhoudingsverplichting een absolute uitzonderingsgrond op de openbaarheid van bestuur. Dit betekent dat de overheid niet moet nagaan of het beschermde belang zwaarder doorweegt dan het belang van de openbaarheid, wat het geval zou zijn bij een relatieve uitzonderingsgrond. De Raad van State vraagt het Hof of die bepalingen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het recht op toegang tot bestuursdocumenten schenden.
Het Hof oordeelt dat die bepalingen ongrondwettig zijn. Volgens het Hof kunnen de belangen die de Vlaamse decreetgever wil beschermen, evengoed worden beschermd door gebruik te maken van de relatieve uitzonderingen. Door een absolute uitzondering in te voeren, heeft de Vlaamse decreetgever bijgevolg een maatregel genomen die niet evenredig is met het nagestreefde doel.
Arrest nr. 165/2025 (Persbericht)
Het Hof verwerpt grotendeels de beroepen tegen nieuwe maatregelen die spelers bij kansspelen beschermen, maar vindt het discriminerend dat soortgelijke maatregelen niet werden ingevoerd voor bepaalde onlineloterijspelen van de Nationale Loterij
Een wet van 18 februari 2024 voert vier nieuwe maatregelen in ter bescherming van spelers bij kansspelen (met inbegrip van weddenschappen). Die maatregelen zijn : (1) het verbod voor onlinekansspeloperatoren om op eenzelfde website verschillende onderscheiden vergunningen te cumuleren en spelers door te sturen van de ene website naar de andere, (2) de veralgemening van de leeftijdsvoorwaarde van 21 jaar voor alle kansspelen, (3) de verduidelijking van het verbod op bonussen en (4) het principiële reclameverbod. Verschillende vennootschappen die actief zijn in de kansspelsector, vorderen de vernietiging van die maatregelen.
Het Hof verwerpt de meeste kritieken van de verzoekende partijen. Het Hof is wel van oordeel dat het discriminerend is niet te voorzien in soortgelijke maatregelen voor bepaalde onlineloterijspelen van de Nationale Loterij. Wat de eerste maatregel betreft, stelt het Hof vast dat de discriminatie haar oorsprong vindt in de bestreden wijziging van de kansspelwet. Het Hof vernietigt bijgevolg die bepaling, maar het handhaaft de gevolgen ervan tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetgeving, en uiterlijk tot 31 december 2026. Wat de drie andere maatregelen betreft, oordeelt het Hof dat de discriminatie niet voortvloeit uit de bestreden wijzigingen van de kansspelwet, maar uit het feit dat soortgelijke maatregelen voor bepaalde onlineloterijspelen ontbreken in de wet op de Nationale Loterij. Het Hof vernietigt die drie wijzigingen van de kansspelwet dus niet, maar verplicht de wetgever om die discriminaties uiterlijk op 31 december 2026 weg te werken.
Arrest nr. 163/2025 (Persbericht)
De wetsbepalingen die voor bepaalde gevangenen een individueel bijzonder veiligheidsregime invoeren van camerabewaking in de cel en beperking of uitsluiting van het recht op bezoek, zijn onder bepaalde voorwaarden grondwettig, maar het Beroepsorgaan moet, in geval van beroep tegen de beslissing waarbij een dergelijk regime wordt opgelegd, die beslissing kunnen hervormen
Een wet van 15 mei 2024 voert een specifiek individueel bijzonder veiligheidsregime (IBVR) in voor gevangenen die verdacht worden van of veroordeeld zijn voor bepaalde drugsmisdrijven of bendemisdrijven. In het kader van dat regime kunnen twee specifieke maatregelen worden genomen: (1) de permanente observatie door middel van een camera en (2) de uitsluiting of de beperking van het recht op bezoek. De Liga voor Mensenrechten vordert de vernietiging van die wetsbepalingen.
Het Hof oordeelt dat het niet redelijk verantwoord is dat de Beroepscommissie van de Centrale Raad bij een vernietiging van een beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire administratie tot het opleggen of hernieuwen van het specifieke IBVR haar eigen beslissing niet in de plaats kan stellen. Het Hof vernietigt bijgevolg de bepaling van de wet van 15 mei 2024 die de bevoegdheden van de Beroepscommissie beperkt.
Daarnaast oordeelt het Hof dat de bestreden bepalingen op een bepaalde manier moeten worden geïnterpreteerd. Ten eerste volgt uit het feit dat de maatregel van het cameratoezicht slechts kan worden opgelegd « mits eerbiediging van de menselijke waardigheid van de gedetineerde » dat de gedetineerde niet mag worden gefilmd wanneer hij zich wast of zijn behoefte doet. Ten tweede moet de directeur-generaal in zijn beslissing de concrete omstandigheden vermelden waaruit blijkt dat de gedetineerde een reëel en ernstig risico vormt voor de veiligheid binnen of buiten de gevangenis vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad. Onder voorbehoud van die twee interpretaties, verwerpt het Hof het beroep voor het overige.
Arrest nr. 160/2025 (Persbericht)
Het Hof verwerpt de meeste kritieken tegen de strafrechtelijke snelrechtprocedure en het hersteltraject, maar stelt aan het Hof van Justitie van de EU drie prejudiciële vragen met betrekking tot de verbeurdverklaring van onroerende goederen die worden gebruikt voor drugsdelicten
De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Liga voor Mensenrechten vorderen de vernietiging van de bepalingen van de wet van 18 januari 2024 die betrekking hebben op de invoering van een snelrechtprocedure voor bepaalde zaken, op de verbeurdverklaring van onroerende goederen die hebben gediend of die bestemd waren om misdrijven in verband met verdovende middelen te plegen, alsook op het « hersteltraject ».
Dat laatste komt erop neer dat, op verzoek van een beklaagde, alvorens uitspraak wordt gedaan over de hem ten laste gelegde feiten, met een intensieve begeleiding een onmiddellijke en aangepaste reactie kan worden gegeven op diens verslavings-, agressie- of psychosociale problematiek. Het Hof verwerpt de kritiek tegen dat hersteltraject.
Het verwerpt tevens de meeste kritieken tegen de strafrechtelijke snelrechtprocedure, met name met betrekking tot het toepassingsgebied ervan, de waarborgen waarover de beklaagden en de slachtoffers beschikken, en de beschikbare rechtsmiddelen. Het Hof vernietigt evenwel een van de bestreden bepalingen, in zoverre zij niet waarborgt dat de inverdenkinggestelde en zijn advocaat toegang hebben tot het strafdossier vóór de bevestiging van het onherroepelijke akkoord van de inverdenkinggestelde met de snelrechtprocedure. Het Hof handhaaft evenwel de gevolgen van die bepaling voor het verleden.
Met betrekking tot de verbeurdverklaring van onroerende goederen stelt het Hof drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, aangezien de maatregel voortvloeit uit het recht van de Europese Unie, en beslist het te wachten op het antwoord van het Hof van Justitie alvorens de andere kritiek daartegen te onderzoeken.
Arrest nr. 159/2025 (Persbericht)
De substantiële vermindering van het belastbare bedrag waarop de taks tot vergoeding van de successierechten wordt geheven, die slechts geldt voor (i)vzw’s en private stichtingen die actief zijn in bepaalde maatschappelijke sectoren, is ongrondwettig, maar het Hof handhaaft tijdelijk de gevolgen van de maatregel
Vzw’s, ivzw’s en private stichtingen moeten jaarlijks een « taks tot vergoeding van de successierechten » (ook gekend als « patrimoniumtaks ») betalen. Een wet van 28 december 2023 hervormt die taks. Die wet bepaalt dat de belastbare grondslag in beginsel bestaat uit het geheel van de bezittingen van de belastingplichtigen, waar die zich ook bevinden. Voor belastingplichtigen uit bepaalde sectoren (zorgsector, sportsector, onderwijssector, cultuursector, erkende maatwerkbedrijven, medische huizen, erkende geïntegreerde gezondheidsverenigingen en wijkgezondheidscentra, erkende dierenasielen en erkende centra voor private archieven) wordt de belastbare grondslag echter met 62,3 % verminderd. Wat het tarief van de taks betreft, wordt voorzien in een progressief tarief per schijf, gaande van 0 % tot 0,45 %. Verschillende rechtspersonen die aan die taks zijn onderworpen, vorderen de vernietiging van die nieuwe bepalingen.
Het Hof oordeelt dat de bestreden bepalingen de bevoegdheidverdelende regels niet schenden. Het is, volgens het Hof, evenwel discriminerend dat de vermindering van 62,3 % van de belastbare grondslag enkel voor bepaalde sectoren geldt. Op grond van de elementen die in de parlementaire voorbereiding worden aangevoerd, kan immers geen onderscheid worden gemaakt tussen de belastingplichtigen uit die sectoren en de andere vergelijkbare belastingplichtigen. Het Hof vernietigt bijgevolg de bepaling die in die vermindering voorziet, maar handhaaft de gevolgen ervan tot uiterlijk 31 december 2026.
Arrest nr. 158/2025 (Persbericht)
Een persoon die is geadopteerd door de echtgenoot van één van zijn oorspronkelijke ouders moet ervoor kunnen kiezen om uitsluitend de naam van de andere oorspronkelijke ouder te dragen
Een wettelijke bepaling beperkt de mogelijkheden voor een persoon die door de echtgenoot van één van zijn ouders wordt geadopteerd om een naamsverandering te vragen naar ofwel de naam van die ouder, ofwel de naam van de adoptant, ofwel één die is samengesteld uit die twee namen. Bijgevolg kan de geadopteerde niet uitsluitend de naam van de andere oorspronkelijke ouder dragen, ook niet indien hij die naam droeg vóór de adoptie.
De familierechtbank stelt het Hof een vraag over de verenigbaarheid van die wettelijke bepaling met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.
Het Hof oordeelt dat die wettelijke bepaling, in de interpretatie dat een persoon die is geadopteerd door de echtgenoot van één van zijn oorspronkelijke ouders niet ervoor kan kiezen uitsluitend de naam van de andere oorspronkelijke ouder te dragen, het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven schendt.
Volgens het Hof kan die wettelijke bepaling evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat een persoon die is geadopteerd door de echtgenoot van één van zijn oorspronkelijke ouders wel ervoor kan kiezen uitsluitend de naam van de andere oorspronkelijke ouder te dragen. In die interpretatie schendt de wettelijke bepaling het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet.
Arrest nr. 156/2025 (Persbericht)
Een proces-verbaal dat betrekking heeft op feiten die zich in het Duitse taalgebied hebben voorgedaan, moet in het Duits worden opgesteld, ongeacht het taalgebied waarin dat proces-verbaal wordt opgemaakt
Krachtens artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken worden processen-verbaal over misdrijven in het Duitse taalgebied in het Duits gesteld. Die bepaling kan op twee manieren worden begrepen. Een eerste interpretatie houdt in dat de verbalisant het proces-verbaal opstelt in de taal van het gebied waar de feiten zich hebben voorgedaan. Een tweede interpretatie houdt in dat de verbalisant het proces-verbaal opstelt in de taal van het gebied waar het proces-verbaal wordt gemaakt.
Volgens het Hof is de bepaling in die laatste interpretatie ongrondwettig. Rekening houdend met het feit dat de wetgever het principe « gewesttaal, voertaal » wilde huldigen en de voorrang van de taal van het eentalige gebied, is het niet pertinent dat de verbaliserende overheid zelf de taal van het proces-verbaal kan kiezen door de keuze voor de plaats waar dat proces-verbaal wordt opgesteld. Als de bepaling evenwel zo wordt geïnterpreteerd dat de plaats van de feiten bepalend is voor de taal van het proces-verbaal, is ze wel grondwettig.