Arrest nr. 38/2026 (Persbericht)
Bij de beoordeling van de bestaansmiddelen waarover een Belg moet beschikken opdat zijn partner in het kader van een gezinshereniging een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, moet rekening worden gehouden met de bestaansmiddelen van de beide personen, met inbegrip dus van die van zijn partner
Opdat tot gezinshereniging kan worden overgegaan is vereist dat de Belg die deze gezinshereniging mogelijk maakt – de zogenaamde referentiepersoon – over voldoende bestaansmiddelen beschikt. Twee aanvragen tot gezinshereniging werden geweigerd op grond van twee wetsbepalingen die zo werden geïnterpreteerd dat bij de beoordeling van de bestaansmiddelen waarover de Belgische gezinshereniger moet beschikken opdat zijn partner een verblijfsrecht zou kunnen verkrijgen, uitsluitend rekening mag worden gehouden met diens bestaansmiddelen, en niet met die van zijn partner.
Daarover ondervraagd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bij wie beroep is ingesteld tegen de weigering van de aanvragen, oordeelt het Hof dat de beide wetsbepalingen, in die interpretatie, het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven schenden.
Volgens het Hof kunnen die wetsbepalingen evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat bij de beoordeling van het bestaansmiddelenvereiste niet alleen rekening mag worden gehouden met de bestaansmiddelen van de gezinshereniger, maar ook met die van zijn partner. In die interpretatie zijn de wetsbepalingen grondwettig.
Arrest nr. 36/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt de meeste kritieken van Netflix in het kader van haar beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap dat de regeling van de verplichte bijdrage aan de audiovisuele productie hervormt, maar stelt over een aantal aspecten van die regeling prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
In de Franse Gemeenschap zijn de uitgevers van traditionele televisiediensten en televisiediensten op aanvraag een bijdrage aan de audiovisuele productie verschuldigd. Het bedrag van die bijdrage is gelijk aan een bepaald percentage van hun omzet. De uitgever moet dat bedrag ofwel besteden aan bepaalde investeringen in de audiovisuele sector, ofwel storten aan het Centrum voor de Film en de Audiovisuele Sector van de Franse Gemeenschap. Een decreet van 7 december 2023 wijzigt die regeling, onder meer door het tarief van de bijdrage substantieel te verhogen voor de uitgevers van wie de omzet het hoogst is. Netflix vordert de vernietiging van verschillende bepalingen van dat decreet. Disney komt tussen in de procedure om dat beroep te ondersteunen. Verschillende organisaties van producenten, regisseurs en auteurs komen tussen in de procedure ter ondersteuning van het decreet.
Het Hof oordeelt dat het stelsel van progressieve tarieven op grond van de omzet van de uitgever redelijk verantwoord is en dat het hoogste tarief van 9,5 % evenredig is. Het Hof is niettemin van oordeel dat een aantal aspecten van de bijdrage vragen doen rijzen ten aanzien van het Europese recht, namelijk : (1) de onmogelijkheid om de verwerving van uitzendrechten van een reeds geproduceerd audiovisueel werk te laten gelden als investering, (2) het feit dat de verdeelsleutel tussen Franstalige Belgische audiovisuele werken (35 %) en Europese werken (65 %) enkel van toepassing is wanneer de bijdrage de vorm aanneemt van investeringen en niet wanneer zij de vorm aanneemt van een storting, en (3) de onmogelijkheid, voor een uitgever die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd maar die zich richt tot het publiek van de Franse Gemeenschap, om bijdragen opgelegd door andere lidstaten in rekening te brengen. Het Hof beslist bijgevolg om daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Arrest nr. 30/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van de wet die de gegevensbank « Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces » opricht, op enkele beperkte vernietigingen met betrekking tot de rechten van het kind en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel van de betrokken personen na
De wet van 29 maart 2024, die de gemeenschappelijke gegevensbank « Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces » (T.E.R.) opricht, vormde het voorwerp van een beroep tot vernietiging bij het Hof. Die gegevensbank beoogt de gemeenschappelijke verwerking, door verschillende openbare diensten, van de persoonsgegevens en informatie over de opdrachten in het kader van het voorkomen en de opvolging van terrorisme en extremisme dat kan leiden tot terrorisme.
Het Hof oordeelt dat die wet het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens niet schendt, met name wat betreft het begrip « haatpropagandisten », de toegangsrechten van bepaalde diensten tot de gegevens en de bewaringsduur ervan. Het Hof vernietigt de wet in beperkte mate om vier andere redenen. Zo moet de persoon die een beroep instelt bij de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot de verwerking van zijn gegevens, van die autoriteit meer informatie kunnen krijgen dan die waarin de wet voorziet. Daarnaast moet die persoon tegen de beslissing van de toezichthoudende autoriteit een beroep kunnen instellen bij een rechtscollege. Voor de verwerking van de gegevens van minderjarigen moet er een tussenkomst zijn van een persoon die in hun situatie is gespecialiseerd. Tot slot moet een onafhankelijke magistraat tussenkomen bij de opname van de gegevens van minderjarigen die 12 of 13 jaar oud zijn. Het Hof verwerpt het beroep voor het overige, onder voorbehoud van bepaalde interpretaties.
Arrest nr. 24/2026 (Persbericht)
Het Hof schorst de strengere regels voor gezinshereniging tussen subsidiair beschermden en hun nareizende familieleden, en het stelt daarover vijf prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
Een wet van 18 juli 2025 onderwerpt de gezinshereniging tussen subsidiair beschermden en hun nareizende familieleden aan strengere voorwaarden en bewijsregels. De machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden wordt voor de nareizende familieleden in principe onderworpen aan : 1) de betaling van een retributie; 2) een wachttermijn van twee jaar vanaf het ogenblik dat de vreemdeling die vervoegd wordt, toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in België; 3) vereisten inzake bestaansmiddelen, huisvesting en ziektekostenverzekering; en 4) strengere regels inzake het bewijs van de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden. Twee gezinnen vorderen de schorsing en vernietiging van die maatregelen.
Het Hof oordeelt dat vijf prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie alvorens het uitspraak kan doen over de kritieken van de verzoekende partijen. Aangezien de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigen te berokkenen, beveelt het Hof de schorsing van die bepalingen totdat het uitspraak doet over de beroepen tot vernietiging van die bepalingen nadat het Hof van Justitie van de Europese Unie de door het Hof gestelde prejudiciële vragen heeft beantwoord.
Arrest nr. 23/2026 (Persbericht)
Het Hof schorst verschillende wetsbepalingen die de opvang van asielzoekers hervormen en stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
Asielzoekers hebben in beginsel recht op opvang, dat in het algemeen bestaat in materiële hulp in een opvangstructuur. Die opvang wordt bij twee wetten van 14 juli 2025 hervormd. Ten eerste kan Fedasil voortaan materiële hulp weigeren aan een persoon die asiel aanvraagt in België terwijl hij reeds asiel in een andere EU-lidstaat geniet. Daarnaast wordt de mogelijkheid dat de opvang, in bijzondere omstandigheden, de vorm aanneemt van financiële hulp, afgeschaft. Meerdere asielzoekers vorderen de schorsing en de vernietiging van die beide maatregelen.
Het Hof oordeelt dat het weigeren van materiële hulp aan meerdere verzoekers die reeds asiel hebben verkregen in Griekenland, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen aan die asielzoekers. Aangezien het niet zeker is of het EU-recht België toelaat om in een dergelijke situatie materiële hulp te weigeren, stelt het Hof hierover een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof beveelt de schorsing van de betrokken bepalingen totdat het zich over de grond van de zaak uitspreekt, nadat het Hof van Justitie die vraag heeft beantwoord.
De afschaffing van de mogelijkheid van opvang onder de vorm van financiële hulp kan volgens het Hof eveneens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen aan meerdere verzoekers, met name aan personen die in België een eerste asielaanvraag hebben ingediend en die wegens de verzadiging van het opvangnetwerk van Fedasil geen toegang hebben tot opvang. Het Hof oordeelt dat de betrokken bepalingen strijdig lijken met het EU-recht en met een aantal grondrechten. Bijgevolg beveelt het Hof de schorsing ervan en zal het binnen drie maanden uitspraak doen over de beroepen tot vernietiging van die bepalingen.