Arrest nr. 21/2026 (Persbericht)
Het is ongrondwettig dat de bewindvoerder van een persoon geen vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk kan instellen voor die persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard om die vordering in te stellen en zijn wil niet meer te kennen kan geven
Een persoon die handelingsonbekwaam werd verklaard om een vordering tot echtscheiding in te stellen en die zijn wil niet meer te kennen kan geven, kan zelf de echtscheiding op grond van een bewezen onherstelbare ontwrichting van het huwelijk niet vorderen. Krachtens artikel 497/2, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek kan zijn bewindvoerder dat evenmin aangezien het een vordering betreft die niet vatbaar is voor bijstand of vertegenwoordiging. Een rechtbank vraagt het Hof of die bepaling het recht op toegang tot de rechter schendt.
Het Hof oordeelt dat het ongrondwettig is dat de bewindvoerder in dat geval de vordering tot echtscheiding niet kan instellen nadat hij daartoe een bijzondere machtiging heeft verkregen van de vrederechter. Volgens het Hof heeft de bepaling namelijk onevenredige gevolgen. Ze dwingt een echtgenoot die handelingsonbekwaam is en zijn wil niet kan uitdrukken, ertoe om, zolang zijn handelingsonbekwaamheid duurt, gehuwd te blijven, zelfs wanneer het in zijn belang is om uit de echt te scheiden. Volgens het Hof blijkt niet dat de bewindvoerder het belang van een beschermd persoon bij die vordering niet op een objectieve wijze zou kunnen bepalen. Bovendien is het optreden van de bewindvoerder onderworpen aan meerdere controlemechanismen.
Arrest nr. 2/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van de wet die een « beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » instelt
Bij een wet van 29 februari 2024 wordt een « beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij » ingesteld. Die maatregel is van toepassing op personen die worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een zekere ernst en die lijden aan een ernstige psychiatrische aandoening die de eigen strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet uitsluit en waarvoor geen effectieve behandeling bestaat. De maatregel wordt gelijktijdig met de veroordeling uitgesproken, maar het is pas na afloop van de straf dat een gespecialiseerde rechterlijke instantie beslist of de maatregel effectief moet worden uitgevoerd, rekening houdend met het risico dat de veroordeelde op dat ogenblik nog zou vormen voor de maatschappij.
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van die maatregel. Volgens het Hof is de beveiligingsmaatregel geen straf die onderworpen zou zijn aan het beginsel van wettigheid van de straffen. Bovendien zijn de begrippen die in de bestreden wet worden gehanteerd voldoende duidelijk en nauwkeurig, zodat de rechtszekerheid niet wordt geschonden. Het Hof oordeelt eveneens dat de beveiligingsmaatregel een vrijheidsberoving is die gerechtvaardigd is op grond van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het feit dat het vonnisgerecht een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek moet bevelen om te beoordelen of het opportuun is om al dan niet een beveiligingsmaatregel uit te spreken, schendt, tot slot, het vermoeden van onschuld niet.