Arrest nr. 68/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt het beroep tot vernietiging van het Waalse Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen, dat een nieuw juridisch kader instelt voor de exploratie en exploitatie van de ondergrond in het Waalse Gewest
Met het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen creëert het Waalse Gewest een nieuw juridisch kader voor de exploratie en exploitatie van de ondergrond in Wallonië. Om meer zekerheid voor publieke en private investeringen te bieden, is voor de exploratie en exploitatie van ondergrondse rijkdommen voortaan een exclusieve vergunning vereist die de houder ervan ? ongeacht of hij al dan niet eigenaar is van de bovengrond ? toelaat om gedurende een bepaalde termijn de exploratie- of exploitatieactiviteit alleen uit te oefenen, in een deel van de ondergrond. Een vzw en drie natuurlijke personen vorderen de vernietiging van dat Wetboek.
Het Hof verwerpt het beroep. Volgens het Hof definieert noch beperkt dat Wetboek de verticale omvang van het grondeigendomsrecht en doet het dus geen afbreuk aan de federale bevoegdheid op dat vlak. Dat de houder van de exclusieve exploratie- of exploitatievergunning eigenaar wordt van de ontgonnen ondergrondse rijkdommen en dat de eigenaar van de grond beperkingen moet ondergaan ten voordele van de houder van de exclusieve vergunning (de zogenoemde « wettelijke erfdienstbaarheden van openbaar nut »), maakt geen schending uit van het door de Grondwet gewaarborgde eigendomsrecht.
Arrest nr. 66/2026 (Persbericht)
Na de schorsing ervan, vernietigt het Hof de bepalingen waarbij de mogelijkheid wordt afgeschaft om in bijzondere omstandigheden aan asielzoekers opvang in financiële vorm te verlenen
Asielzoekers hebben in beginsel recht op opvang, dat in het algemeen bestaat in materiële hulp in een opvangstructuur. Die opvang wordt bij twee wetten van 14 juli 2025 hervormd. Ten eerste kan Fedasil voortaan materiële hulp weigeren aan een persoon die asiel aanvraagt in België terwijl hij reeds asiel in een andere EU?lidstaat geniet. Ten tweede wordt de mogelijkheid dat de opvang, in bijzondere omstandigheden, de vorm aanneemt van financiële hulp, afgeschaft. Op verzoek van meerdere asielzoekers, heeft het Hof die beide maatregelen geschorst bij zijn arrest nr. 23/2026 van 26 februari 2026. Bij het arrest van vandaag doet het Hof uitspraak over de beroepen tot vernietiging, enkel wat de tweede maatregel betreft. Met betrekking tot de eerste maatregel moet het Hof immers wachten op het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vraag die het daarover bij zijn arrest nr. 23/2026 heeft gesteld.
Het Hof is van oordeel dat de afschaffing van de mogelijkheid van opvang in de vorm van financiële hulp strijdig is met het EU?recht en met een aantal grondrechten. Bijgevolg vernietigt het Hof die maatregel.
Arrest nr. 57/2026 (Persbericht)
Het Hof verwerpt de beroepen van de Belgische universiteiten tegen de Phoenix?wet, die uitvoering verleent aan de akkoorden tussen de Belgische Staat en Electrabel in het kader van het opnieuw in gebruik nemen van Doel 4 en Tihange 3
De Phoenix?wet is een van de vier wetten die op 26 april 2024 zijn aangenomen om de energiezekerheid te waarborgen, met name door de kerncentrales Doel 4 en Tihange 3 opnieuw in gebruik te nemen voor tien bijkomende jaren. Die wet verleent uitvoering aan de akkoorden die tussen de Belgische Staat en de kernexploitant (Electrabel) zijn gesloten. Zij voorziet in een « cap » op de verantwoordelijkheid van de kernexploitant voor nucleair afval dat is geproduceerd vóór de verlenging van beide centrales : mits Electrabel een forfaitair bedrag van 15 miljard euro betaalt, wordt de financiële verantwoordelijkheid voor dat afval overgedragen aan de openbare instelling Hedera. De Phoenix?wet voorziet ook in het sluiten van een overeenkomst om de kernexploitant te vergoeden voor eventuele verliezen wegens toekomstige « wetswijzigingen » die de exploitatie van beide centrales of de kosten voor het beheer van het afval ongunstig zouden beïnvloeden. Alle Belgische universiteiten, die ook radioactief afval produceren door hun activiteiten op het gebied van geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek, vorderen de vernietiging van die twee maatregelen.
Het Hof verwerpt de beroepen. Volgens het Hof is het redelijk verantwoord dat de « cap » enkel geldt voor de kernexploitant. Bovendien heeft die « cap » niet tot gevolg dat de financiële verplichtingen van de andere producenten van radioactief afval zwaarder worden. Vervolgens, wat betreft de overeenkomst ter bescherming van de kernexploitant tegen wetswijzigingen, kan het Hof zich in deze zaak niet uitspreken over het beginsel zelf van een dergelijke overeenkomst, maar enkel over het feit dat de universiteiten ze niet genieten. Het Hof is van oordeel dat de kernexploitant zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van de universiteiten en dat er dus geen discriminatie is.
Arrest nr. 56/2026 (Persbericht)
Het is grondwettig dat de personen die zelf hun afvalwater zuiveren in het Waalse Gewest de reële kostprijs van de sanering van het water moeten betalen, net als de verbruikers die op de openbare riolering zijn aangesloten
In 2016 heeft de Waalse decreetgever in het kader van de invoering van een openbaar beheer van de autonome sanering van afvalwater, de vrijstelling van de reële kostprijs van de sanering afgeschaft die de personen die zelf hun huishoudelijk afvalwater zuiverden, genoten. Hij heeft tot 31 december 2021 in een overgangsperiode voorzien.
Twee particulieren en een vennootschap die de vrijstelling genoten, betwisten die afschaffing voor het vredegerecht en de ondernemingsrechtbank. Volgens hen is het niet redelijk verantwoord dat zij de reële kostprijs van de sanering van het water moeten betalen, terwijl zij zelf hun afvalwater zuiveren. De betrokken rechtscolleges vragen het Hof of het discriminerend is dat de verbruikers die in het bezit zijn van een individueel waterzuiveringssysteem op dezelfde wijze worden behandeld als de verbruikers die niet over een dergelijk systeem beschikken en die op de openbare riolering zijn aangesloten, in zoverre zij allebei de reële kostprijs van de sanering verschuldigd zijn.
Volgens het Hof is die gelijke behandeling redelijk verantwoord, aangezien die twee categorieën van verbruikers voor de gemeenschap kosten veroorzaken met betrekking tot de zuivering van hun afvalwater. Bovendien genieten de eigenaars van een individueel waterzuiveringssysteem bepaalde diensten (premies, controles, tenlasteneming van een deel van de kosten voor het onderhoud), zodat de afschaffing van de vrijstelling hun geen buitensporig nadeel berokkent.