Laatst bijgewerkt op 5 augustus 2026.

Artikel 1

De wedden van de rechters en van de referendarissen van het Grondwettelijk Hof worden bepaald als volgt:

  • Voorzitter: de wedde van de Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
  • Rechter: de wedde van de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;
  • Referendaris: de bezoldigingsregeling die van toepassing is op de leden van het coördinatiebureau van de Raad van State.

De artikelen 360, 361, 362, 363, 365 en 377 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de rechters van het Grondwettelijk Hof. Voor de toepassing van artikel 365, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek komt de duur van het parlementair mandaat in aanmerking bij de berekening van de anciënniteit.

De referendarissen genieten gedurende de stageperiode van drie jaar, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, de bezoldigingsregeling van de adjunct-referendarissen van de Raad van State; gedurende de tien daaropvolgende jaren genieten zij de bezoldigingsregeling van de referendarissen; na het dertiende jaar volgend op hun benoeming genieten zij de bezoldigingsregeling van de eerste referendarissen.

Art. 2

De griffiers van het Grondwettelijk Hof genieten dezelfde bezoldigingsregeling als deze die in artikel 1, eerste en derde lid, van toepassing is verklaard op de referendarissen.

Art. 3

De artikelen 391, 391/1, 392, 392/1, 393, 393/1, 393/2, 395, 396 en 397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de rechters van het Grondwettelijk Hof, op de referendarissen en op de griffiers. Voor de toepassing van de voormelde artikelen op deze personen worden de in artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde leeftijden respectievelijk vervangen door de in de artikelen 4, eerste lid, en 5 bepaalde leeftijden.

Voor de toepassing van deze artikelen wordt met de duur van het parlementair mandaat rekening gehouden bij de berekening van de in aanmerking genomen ambten.

Art. 4

De rechters van het Grondwettelijk Hof worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.

De voorzitters en rechters van het Grondwettelijk Hof die hun ambt uitoefenen krachtens artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, genieten hun wedde overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in deze wet, en niet hun pensioen.

Art. 5

De referendarissen, de griffiers en de leden van het administratief personeel worden in ruste gesteld, wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt zoals bepaald in artikel 46, § 3, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

Art. 5/1

De voorzitters, rechters, referendarissen en griffiers van het Grondwettelijk Hof die door een zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen en niet om hun inruststelling hebben verzocht, worden bij ter post aangetekende brief ambtshalve gewaarschuwd door de voorzitter. Betreft het de voorzitter dan waarschuwt de voorzitter van de andere taalrol.

Art. 5/2

Indien de voorzitter, rechter, referendaris of griffier van het Grondwettelijk Hof niet binnen een maand na de waarschuwing om zijn inruststelling heeft verzocht, dan komt het Hof in raadkamer bijeen om, op basis van de in laatste aanleg genomen geneeskundige beslissing tot definitieve ongeschiktheid van het Medisch expertisecentrum arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu (Medex), uitspraak te doen over de inruststelling van de betrokkene.

Ten minste vijftien dagen voor de datum waarop de vergadering van het Hof is vastgesteld, wordt aan de betrokkene kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting waarop hij op eigen verzoek kan worden gehoord. Tegelijk wordt hij verzocht om zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.

Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding.

Art. 5/3

Van de in artikel 5/2 bedoelde beslissing van het Hof wordt aan de betrokkene terstond kennisgegeven. Heeft deze zijn schriftelijke opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving, geen verzet werd aangetekend.

De betrokkene kan geen verzet aantekenen indien hij door het Hof werd gehoord, maar geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend.

Het verzet is slechts ontvankelijk zo dit geschiedt bij ter post aangetekende brief. De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.

Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk.

Art. 5/4

De beslissing door het Hof gewezen op de opmerkingen van betrokkene of op zijn verzet is definitief.

Art. 5/5

De kennisgevingen worden gedaan door de griffier van het Hof, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken.

Art. 5/6

De beslissing van het Hof, in het geval bedoeld in de artikelen 5/2 tot 5/4, wordt aan de Eerste minister toegezonden binnen vijftien dagen volgend op de datum waarop zij in kracht van gewijsde is gegaan.

Art. 6

De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is mede van toepassing op de leden van het administratief personeel.

Art. 7

De in de artikelen 4 en 5 bedoelde personen die wegens een zware en blijvende gebrekkigheid in ruste gesteld zijn, kunnen geen aanspraak maken op een rustpensioen tenzij zij de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt of de voorwaarden voor het verkrijgen van een onmiddellijk of uitgesteld pensioen vervullen, zoals bepaald in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.

Art. 8

De Koning kan het emeritaat verlenen aan de rechters van het Grondwettelijk Hof in functie op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien zij niet in de bij artikel 4 van deze wet vastgestelde voorwaarden mochten verkeren, zonder evenwel hieraan geldelijke gevolgen te verbinden.

Art. 9

In artikel 3, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, gewijzigd door de wetten van 3 juni 1971 en 2 augustus 1974, worden tussen het woord "magistratuur" en de woorden "als professor" ingevoegd de woorden "het ambt van referendaris bij het Arbitragehof inbegrepen".

Art. 10

Worden opgeheven:

  1. de artikelen 31 tot 34 en 112 van de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof;
  2. de artikelen 1 tot 4 van de wet van 2 februari 1984 betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof.

Deze officieuze eigen coördinatie van de wet van 6 januari 1989 betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Grondwettelijk Hof houdt rekening met de opeenvolgende wijzigingen van:

  • 27 juni 1994 (vervanging van art. 2)
  • 2 april 2001 (wijziging van art. 4)
  • 21 februari 2010 (vervanging van "Arbitragehof" door "Grondwettelijk Hof" in het opschrift en de artikelen 1, 2, 3, eerste lid, 4 en 8)
  • 18 juni 2026 (wijziging van art. 3, eerste lid, aanvulling van art. 3, eerste lid, wijziging van art. 5, invoeging van de artikelen 5/1 tot 5/6 en wijziging van art. 7)