Schending (artikel 36, § 2, 3°, van de wet van 26 juni 2002, zoals het van toepassing was vóór de wijziging van artikel 36, § 1, van die wet bij de wet van 26 maart 2018 « betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie », in zoverre het niet van toepassing is op de ontslagen werknemers die de verjaring van de vordering bedoeld in artikel 15 van de wet van 3 juli 1978 « betreffende de arbeidsovereenkomsten » hebben gestuit door een ingebrekestelling die is verzonden overeenkomstig artikel 2244, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek, die op geldige wijze een gerechtelijke procedure hebben ingeleid na de sluiting van de onderneming maar voordat hun vordering is verjaard en die het voordeel genieten van een beslissing uitgesproken na afloop van die procedure, en zulks voor de bedragen die voortvloeien uit die beslissing)
Trefwoorden
Sociaal recht - Arbeidsrecht - Sluiting van ondernemingen - Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers - Interventievoorwaarden - Referteperiode - Ontslagen werknemers die vóór of na de sluiting een gerechtelijke procedure hebben ingeleid - Stuiting van de verjaring van de vordering