1. Geen schending (artikelen 182, eerste lid, en 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007)
2. De tweede prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7635 en 7641 is onontvankelijk (in zoverre zij betrekking heeft op de bestaanbaarheid van artikel 182 van de wet van 15 mei 2007 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens)
3. Geen schending (artikel 182 van de wet van 15 mei 2007, in zoverre het niet voorziet in procedurele waarborgen noch in een parlementaire controle a posteriori ten aanzien van de door de minister van Binnenlandse Zaken op grond van die bepaling genomen maatregelen)
4. Schending (artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, in samenhang gelezen met artikel 100 van het Strafwetboek, in zoverre het van toepassing is op de weigering of het verzuim zich te gedragen naar een ministerieel besluit dat, genomen met toepassing van artikel 182, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, dringende maatregelen inhoudt om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, in zoverre het de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van de misdrijven die het invoert, niet toestaat om rekening te houden met verzachtende omstandigheden ten aanzien van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt)
5. Geen schending (artikel 187, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007, in zoverre het de persoon die verzuimt zich te gedragen naar de ministeriële maatregelen die met toepassing van artikel 182, eerste lid, van dezelfde wet zijn genomen, op dezelfde wijze behandelt als de persoon die weigert zich naar die maatregelen te gedragen)
6. De laatste drie prejudiciële vragen in de zaken nrs. 7635 en 7641 zijn onontvankelijk
Trefwoorden
Civiele veiligheid - Dreigende omstandigheden - Bescherming van de bevolking - Maatregelen ter bestrijding van de verspreiding van COVID-19 - 1. Machtiging aan de minister - 2. Vervolgingen en sancties - Verzachtende omstandigheden