Schending (art. 56bis, § 1, van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 in zoverre de erin bepaalde voorwaarde voor de toekenning van de kinderbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen met zich meebrengt dat een kind dat op basis van de bepalingen van de wet van 20 juli 1971 « tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag » gerechtigd was op gewaarborgde gezinsbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen, elk recht op het verhoogde tarief voor wezen verliest wanneer het, ten gevolge van de tewerkstelling van zijn broer, halfbroer, zus of halfzus die geen deel uitmaakt van zijn gezin, onder het toepassingsgebied van de algemene kinderbijslagwet valt)
Trefwoorden
Sociale zekerheid - Algemene stelsel van de kinderbijslag - Kinderbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen - Voor een rechthebbende geldende loopbaanvoorwaarde - Gevolg - Verlies van elk recht op het verhoogde tarief voor wezen door het kind dat gerechtigd was op gewaarborgde gezinsbijslag tegen het verhoogde tarief voor wezen wanneer het, ten gevolge van de tewerkstelling van zijn broer, halfbroer, zus of halfzus die geen deel uitmaakt van zijn gezin, onder het toepassingsgebied van de algemene kinderbijslagwet valt.