1. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie
2. Schorsing :
- artikel 1/1 van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de voormelde wet van 18 juli 2025, in zoverre de familieleden van de begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, niet worden vrijgesteld van de retributie voor hun verblijfsaanvraag;
- artikel 10bis, § 2/1, van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij artikel 6 van de voormelde wet van 18 juli 2025, in zoverre het verblijfsrecht van de familieleden van de begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden, wordt onderworpen aan een wachttermijn van twee jaar vanaf het ogenblik dat de vreemdeling die wordt vervoegd, toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in België, alsook aan voorwaarden inzake bestaansmiddelen, huisvesting en een ziektekostenverzekering;
- artikelen 11, § 1, tweede lid, en 12bis, § 5, van de voormelde wet van 15 december 1980, zoals gewijzigd bij de artikelen 8 en 9 van de voormelde wet van 18 juli 2025, in zoverre de daarin bepaalde bewijsregels voor het aantonen van de bloed- en aanverwantschapsbanden niet gelden voor de familieleden van de begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden
3. Beveelt dat de voormelde schorsingen verder uitwerking hebben tot de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de beroepen tot vernietiging die zijn ingeschreven op de rol onder de nummers 8579 en 8580
4. Verwerping van de vorderingen tot schorsing voor het overige
Trefwoorden
Vreemdelingenrecht - Begunstigde van de subsidiaire beschermingsstatus - Familieleden die zich niet op het Belgisch grondgebied bevinden - Gezinshereniging - Voorwaarden