1. Geen schending (artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen bij artikel 233 van de wet van 7 juni 2023 « tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 en houdende diverse bepalingen inzake insolvabiliteit », in zoverre het niet toestaat dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om uitspraak te doen over de kwijtschelding vooraleer de periode van drie jaar zoals vermeld in artikel XX.173, § 3, van datzelfde Wetboek is verlopen)
2. Schending (artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, zoals vervangen bij artikel 233 van de voormelde wet van 7 juni 2023, in zoverre het niet toestaat dat de gefailleerde natuurlijke persoon de rechtbank verzoekt om zich na afloop van de in artikel XX.173, § 3, van hetzelfde Wetboek vermelde periode waarin de weigering kan worden gevorderd door de curator, maar vóór de sluiting van het faillissement, uit te spreken over de kwijtschelding)
3. De prejudiciële vragen behoeven voor het overige geen antwoord
Trefwoorden
Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Verzoek tot kwijtschelding - Termijn voor het indienen van het verzoek - Gefailleerde natuurlijke persoon